wp5756b76a.png

Ik waan me terug in de tijd als een ontdekkingsreiziger wanneer ik in mijn eentje door de souk loop. Geen toerist te bekennen, die zijn allemaal met zo’n 50 bussen vertrokken naar Cairo.

Reeds voor het inlopen van de eerste straat krijg ik gezelschap van een twintiger die – naar eigen zeggen – een goudwinkel heeft waar ik vooral met mijn vrouw moet terugkomen. Hij heeft al wat gedronken (of gerookt ?) maar is allervriendelijkst; bij zijn winkel aangekomen krijg ik een uitgebreide, welgemeende handshake en ik bedenk me dat ik hier nog de hele middag mee rond moet lopen want naast de vriendelijkheid van de mensen valt me vooral de viezigheid op. Ik loop door de straten die het karakter van een markt hebben, maar het is meer een structureel gebeuren. Groente, vis, huishoudspul, ‘plof’-brood, vlees; alles is er in winkeltjes, op handkarren, houten tafeltjes en kisten afgewisseld met lopende straatventers. De straat is te smerig om naar te kijken. Het water dat over de vis wordt gegooid mengt zich met de losse grond (de bestrating is inmiddels gestopt); fruit rolt van een tafel, wordt schoon geveegd en weer teruggelegd, kinderen lopen blootsvoets, mannen op open slippertjes … ; één vieze bende. Maar ik ben de enige die er iets van vindt lijkt het, ik heb het gevoel letterlijk ín de souk te lopen. En dat heeft ook iets overweldigends; ik voel me er eigenlijk wel op mijn gemak ondanks mijn hoedje en camera. Oude mannen knikken me vriendelijk aan, kinderen willen graag op de foto en zijn verrukt als ze zichzelf op het schermpje terugzien. Eén van de kinderen stelt me zelfs aan zijn ‘papa’ voor.

Langs de kust zie ik tot mijn verbazing allerlei kleine scheepswerfjes. De werfjes zijn echter in geen verhouding met de schepen die er gebouwd worden. Van vissersboten tot luxe jachten, van hout en staal maar allemaal van een formaat dat niet past bij de armoede in de wijk waar ik net heb gelopen. Ik kan het niet laten een werf op te lopen waar een groot houten jacht in aanbouw op bokken staat. Er zit een oud mannetje (ik schat hem 75 maar denk dat hij 55 is…) die me naar zich toewuift en een stoel aanschuift in de schaduw van de houten romp. Hij praat enkel Arabisch, ik alles behalve. Ik laat mijn hand over de massieve houten scheepsdelen gaan en laat hem mijn bewondering voor het materiaal en de boot zien. Hij knikt met een glimlach en vervolgens zitten we nog even naast elkaar te genieten van het ‘zijn’. Op zijn vraag om een smoke bied ik hem een Hollands rokertje aan. Ik sta op en ga, we zwaaien als zijn we bekenden van elkaar.

De volgende dag, we zijn de havenpoort nog niet uit of de taxibazen stormen ons tegemoet met aanbiedingen. We nemen echter twee paardekarren. Ik heb de indruk dat we een goeie deal hebben gemaakt en gaan op pad; door de stad naar Quitbay Fort. De toegang kan echter alleen worden voldaan in Arab money,  net als gisteren toen we per taxi de catacomben (Kom el Shoqafa) bezochten maar toen schoot de taxichauffeur alles voor. De dames achter de kassa weigeren steevast mijn Amerikaanse dollars totdat alle overige wachtenden binnen zijn. Haar collega staat op de uitkijk en ze neemt mijn koersaanbod (1$ = 5£E) vol vertrouwen van mij aan. We zijn binnen; zij blij - wij blij.

Het spel herhaalt zich bij het aquarium. Hoewel de entree slechts 5£E is komen we er hier niet in. Ik leg buiten een oude taxichauffeur  mijn probleem voor en wil bij hem mijn dollars ruilen voor Egyptische ponden. Hij verstaat er niets van maar begrijpt me wel. Hij geeft me een hand vol Arab money (dat hij uit zijn zak, onder zijn stoel en uit de asbak haalt) en laat mij het pakket briefjes voor 20$ uitzoeken; ook hier weer met het volste vertrouwen. Hij straalt wanneer ik hem 20$ én een Hollandse sigaar geef. Hij kust de rug van zijn rechterhand en schudt vervolgens met twee handen mijn uitgestoken hand. Ik ben ontroert…

We maken de rit af en betalen uiteindelijk meer dan in onze deal was afgesproken; het was langer, verder, heter… Twee sigaren en 10$ erbij; so what…, mijn dag kan hier toch niet meer stuk.

wp1e5380a5.png